Voor mijn werk moest ik laatst ergens in een verzorgingshuis zijn. Het ging om een interview met iemand die daar als vrijwilliger al jarenlang koffie en thee voor de bewoners schenkt. Een prachtig mens die prachtig werk doet. Opgewekt, blijmoedig, spontaan. En toch. Ze vertelde me een verhaal dat me raakte.
De gemiddelde leeftijd van de bewoners van een verzorgingshuis is hoog. Je vindt er niet zo gauw meer iemand van beneden de tachtig. Simpel omdat men probeert de mensen zo lang mogelijk op zichzelf te laten wonen. Maar goed: als het dan echt niet meer gaat, mag je naar binnen.
Je bent dus tachtig -of daaromtrent- en je betreedt zo’n leefgemeenschap. Een gemeenschap van mensen, een maatschappij op zakformaat, met haar eigen normen en waarden. Normen en waarden die -de betreffende generatie eigen- sterk verbonden zijn met tradities en gewoontes. De traditie bijvoorbeeld dat je volwaardig deel uitmaakt van de miniatuur leefgemeenschap en je daar naar te schikken hebt. Daar moet je als nieuwkomer dus eerst doorheen, wil je je geaccepteerd weten. Voor veel mensen is dat geen probleem, omdat ze de oude tradities en gewoontes aanhangen of als weduwe/weduwnaar behoefte hebben aan het gezelschap van de anderen.
Maar wat nu als je het je hele leven tot aan je tachtigste prima alleen hebt weten te redden? Als je je altijd uitstekend alleen hebt kunnen vermaken met een boekje in een hoekje en absoluut geen behoefte voelt voor een ‘gezellig samenzijn’? Wel, dan lig je eruit voordat je goed en wel binnen bent. En dat zul je weten ook. Je hebt geen zin om de koffie gezellig samen met de anderen te gebruiken? Best. Dan blijf je maar op je kamer en brouwt er je eigen bakkie leut. Want het beleid van het huis is dat ze je de koffie niet achterna brengen.
Strikt genomen ligt er dus een sanctie op het beleven van je eigenheid. De boodschap is onomwonden: je past je maar aan. Alsnog. Op je tachtigste. En anders zoek je het met je eigenheid maar uit in je kamertje.
En steeds beter begrijp ik waarom mijn vader er destijds min of meer voor koos om zelf het licht uit te doen. Hij was niet bang voor de dood: hij was als de dood voor de afhankelijkheid. Het je overgegeven weten aan de wil van je medemens. Want dan moest hij het laatste verliezen dat hij nog bezat: zijn waardigheid.
Fred Ootjers
