De dag van 16 september. De dag waarop in 1989 mijn vader overleed. Drieënvijftig jaren waren hem slechts gegeven, hij werd geveld door lymfeklierkanker. Of eigenlijk niet eens door de kwaal, maar aan de gevolgen van de remedie. Van de chemokuur. Die sloopte zijn gestel sneller dan de kanker dat kon doen.
Een half jaar duurde zijn ziekbed. Een half jaar waarin we elkaar zeer nabij kwamen. Waarin we gabbers werden, na een periode van vijf jaar waarin we elkaar niet hadden willen zien. Dat had zo z’n redenen: een verlate puberteit, te lang met elkaar samengewerkt, dominantie, verschillen in inzicht en gewoon wat er zoal uit een generatieconflict kan voortkomen. Eén ding deed ons echter de das om: dat we allebei zwegen. Ik zei al die jaren niet wat mij dwars zat en mijn vader verdomde het om me er naar te vragen. Gevolg: misverstand op misverstand op misverstand. Dat alleen maar kon eindigen in een breuk. Die er dus ook kwam. Een breuk van vijf jaar. Tot die zondagochtend, toen de vader tot de zoon kwam. In de week dat hem de jobstijding werd verteld en hij een vermoeden had dat het wel eens fataal kon aflopen.
In de zes maanden die hem nog restten, zijn we vrienden geworden. Ik heb hem overal naar toe gebracht. Naar alle chemokuren, bloedafgiftes en ruggemergpuncties. Maar we zijn ook samen naar het bos geweest, naar musea, naar plekjes in de buurt waarvan hij bestaan niet wist.
En we hebben gepraat. Minder over wat altijd verzwegen was, als wel over wat op dat moment gezegd moest worden. Over leven en over sterven.
Mijn vader is ook letterlijk in mijn handen gestorven. Dat gaat je als zoon niet in de koude kleren zitten. Daar zit iets elementairs in. Iets oorspronkelijks. Iets archaïsch. Iets wat terug gaat tot een oergevoel.
Ik heb geen idee of we vrienden waren gebleven als hij van zijn ziekte was genezen en zijn en mijn leven -en daarmee onze relatie- in een andere verhouding waren komen te staan. Maar dat doet er niet toe. Dat is immers niet gebeurd. Mij rest slechts hem te gedenken. Elk jaar weer op die zestiende september. Uit gevoel voor hem. Uit gevoel voor mijzelf. En uit een oergevoel, dat nog veel verder gaat.
Fred Ootjers
